ECLI:NL:PHR:2007:AZ2845
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vermogensetikettering van verhuurde bovenwoning in splitsbaar pand
Belanghebbende, een ondernemer met een assurantiekantoor, kocht een pand bestaande uit een bedrijfsruimte op de begane grond en een verhuurde bovenwoning met eigen ingang en voorzieningen. Het pand werd als één geheel gekocht en de bovenwoning werd vanaf de aankoop tot het ondernemingsvermogen gerekend. Na een verbouwing werd de bovenwoning in twee verhuurbare eenheden gesplitst en aan derden verhuurd.
Het hof oordeelde dat de bovenwoning verplicht privévermogen vormde omdat deze geen functie had binnen de onderneming en duurzaam aan derden werd verhuurd. De inspecteur stelde dat sprake was van een koppelaankoop en dat het gehele pand tot het ondernemingsvermogen behoorde. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en oordeelde dat bij een niet gesplitst pand de belastingplichtige niet de grenzen der redelijkheid overschrijdt door het gehele pand tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij sprake is van een wanverhouding.
De Hoge Raad bevestigde dat de keuzevrijheid van de ondernemer bij splitsbare panden beperkt is en dat de afzonderlijke delen afzonderlijk moeten worden geëtiketteerd. De bovenwoning, die zelfstandig verhuurbaar was en geen functie binnen de onderneming vervulde, behoort derhalve tot het privévermogen. Ook de mogelijkheid tot keuzeherziening in verband met de invoering van de Wet IB 2001 werd besproken, maar leidde niet tot een hogere aanslag.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van feitelijke beoordeling van splitsbaarheid en functie van panddelen binnen de onderneming en bevestigt de toepassing van de foutenleer bij onjuiste etikettering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en bevestigt dat de verhuurde bovenwoning tot het privévermogen behoort.