ECLI:NL:PHR:2007:AZ0373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over heffing baatbelasting bij herinrichting binnenstad Breda
De gemeente Breda voerde in 1994 een herinrichting van haar binnenstad uit en verhaalde een groot deel van de kosten via baatbelasting. Belanghebbende stelde bezwaar tegen de aanslag, maar verloor bij Hof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad vernietigde dit en verwees de zaak naar Hof 's-Gravenhage. Dit hof oordeelde dat het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied niet wezenlijk was veranderd ten opzichte van de oude situatie, waardoor de herinrichting niet als een voorziening in de zin van de baatbelasting kon worden aangemerkt.
De gemeente stelde cassatie in, stellende dat vervanging van bestrating en verlichting door duurdere materialen wel degelijk een verbetering en dus een voorziening vormde. De Hoge Raad bevestigde echter dat alleen een wezenlijke verandering in inrichting, aard of omvang kan leiden tot een voorziening. Onderhoud en achterstallig onderhoud vallen hier niet onder en mogen niet via baatbelasting worden verhaald. Het hof had het toetsingskader juist toegepast en het feitelijke oordeel was niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad benadrukte dat bij gemengde kosten van onderhoud en verbetering een splitsing moet worden gemaakt en alleen de verbeteringskosten via baatbelasting kunnen worden verhaald. De uitspraak geeft een helder en streng criterium voor het begrip voorziening bij baatbelasting, waarbij een herinrichting slechts als voorziening geldt indien het geheel van voorzieningen wezenlijk is veranderd. De conclusie was dat het beroep van de gemeente ongegrond is en de uitspraak van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep van de gemeente tegen het oordeel dat de herinrichting geen voorziening vormt voor baatbelasting is ongegrond verklaard.