ECLI:NL:PHR:2007:AY8771
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongelijke behandeling van hulpkrachten en parttimers in pensioenregeling strijdig met art. 141 EG-Verdrag
Deze zaak betreft een geschil tussen een winkelketen met pensioenfonds en hulpkrachten/parttimers over de vraag of deze werknemers met terugwerkende kracht in de pensioenregeling moeten worden opgenomen of recht hebben op schadevergoeding wegens discriminatie. De pensioenregeling sloot hulpkrachten en parttimers aanvankelijk uit of kende hen een optionele aansluiting toe, wat volgens het hof indirecte discriminatie op grond van geslacht opleverde in strijd met art. 141 EG Pro-Verdrag.
De kantonrechter had de subsidiaire vordering tot schadevergoeding toegewezen voor de periode 1976-1978 en geoordeeld dat de verjaringstermijn niet was aangevangen voordat de werknemers door hun vakbond waren geïnformeerd over de strijdigheid met het EG-recht. Het hof bevestigde dat de pensioenregeling nadeliger was voor parttimers dan voor fulltimers en dat het recht op aansluiting onder het verbod van discriminatie valt. Het hof verwierp het verjaringsverweer omdat feitelijke kennis vereist is.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de toepassing van art. 141 EG Pro-Verdrag en de jurisprudentie van het HvJ EG, waaronder de arresten Bilka, Barber, Vroege en Fisscher. De Raad bevestigt dat het recht op aansluiting bij een pensioenregeling onder het verbod van discriminatie valt en dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro subjectief moet worden toegepast. Tevens wordt geoordeeld dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door zonder nadere bewijsvoering de verjaring van één werkneemster te verwerpen. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nadere beoordeling, met het oog op prejudiciële vragen over verjaring en het keuzerecht van parttimers.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en verwijst zaak terug voor nadere beoordeling over verjaring en pensioenrechtelijke aansluiting.