ECLI:NL:PHR:2007:AX7244
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inhouding dividendbelasting op buitenlandse deelnemingsdividenden in strijd met vrij kapitaalverkeer EG
De zaak betreft de inhouding van Nederlandse dividendbelasting op dividenden uitgekeerd aan een Luxemburgse vennootschap met een belang van 2,25% in een Nederlandse vennootschap. De belanghebbende geniet in Luxemburg een deelnemingsvrijstelling, waardoor de Nederlandse bronbelasting aldaar niet wordt verrekend of gerestitueerd. De Nederlandse wetgeving verleent een inhoudingsvrijstelling alleen aan binnenlandse aandeelhouders of buitenlandse aandeelhouders met een vaste inrichting in Nederland, waardoor buitenlandse aandeelhouders zonder vaste inrichting worden benadeeld.
Het Hof 's-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat deze verschillende behandeling in strijd is met artikel 56 EG Pro-Verdrag (vrijheid van kapitaalverkeer), omdat binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders zich in vergelijkbare situaties bevinden en het onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is. De Staatssecretaris voerde in cassatie aan dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van verrekening in de woonstaat, maar dit is niet aannemelijk gemaakt.
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse inhouding van dividendbelasting op buitenlandse deelnemingsdividenden zonder vaste inrichting een verboden discriminatie vormt, omdat het vrije kapitaalverkeer wordt belemmerd zonder dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Ook het argument dat de EG-Moeder-dochterrichtlijn dit onderscheid rechtvaardigt, faalt. De conclusie is dat Nederland niet mag afwijken van de inhoudingsvrijstelling die geldt voor binnenlandse aandeelhouders, tenzij de buitenlandse aandeelhouder in Nederland een vaste inrichting heeft.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de Nederlandse inhouding van dividendbelasting op buitenlandse deelnemingsdividenden zonder vaste inrichting in strijd is met het vrije kapitaalverkeer.