ECLI:NL:PHR:2007:AX6316
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vorming en correctie van extra pensioenvoorziening bij dispensatie bedrijfspensioenfonds
In deze zaak staat centraal of belanghebbende, een verzekeraar, naast de voorziening voor bestaande pensioenverplichtingen, een extra voorziening mag vormen ter grootte van een evenredig deel van de extra reserves van bedrijfspensioenfondsen waarvoor zij gedispenseerde werkgevers verzekert. Het Hof oordeelde dat op grond van goed koopmansgebruik een dergelijke extra voorziening mag worden gevormd, omdat het vermogen van belanghebbende in zoverre beklemd is. De extra voorziening weerspiegelt de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomsten met gedispenseerde werkgevers en de overeenkomst met bedrijfspensioenfondsen.
Tegelijkertijd oordeelde het Hof dat artikel 9a Wet IB 1964 de vorming van de extra voorziening verhindert voor zover deze ziet op indexaties van op balansdatum bestaande pensioenaanspraken. De correctie op de extra voorziening werd vastgesteld op 80% van het saldo, waarbij beleggingsverliezen buiten beschouwing werden gelaten. Belanghebbende voerde aan dat de correctie onterecht ook op beleggingsverliezen zou zien, wat door het Hof werd verworpen.
De Staatssecretaris van Financiën betwistte dat sprake is van een op balansdatum bestaande verplichting en dat de extra voorziening mag worden gevormd. De Hoge Raad bevestigt dat de extra voorziening mag worden gevormd, omdat de verplichtingen voortvloeien uit bestaande rechtsverhoudingen en de omvang redelijkerwijs kan worden geschat. De toepassing van artikel 9a Wet IB 1964 beperkt de aftrek voor zover de voorziening verband houdt met toekomstige loon- en prijswijzigingen, met name indexaties. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd door het Hof verworpen en de Hoge Raad handhaaft deze oordelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de extra voorziening mag worden gevormd, maar beperkt deze op grond van artikel 9a Wet IB 1964 voor zover deze ziet op indexaties.