ECLI:NL:PHR:2007:AU3989
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale afschrijving op beleggingsvastgoed en restwaardebepaling
Deze conclusie betreft een fiscale procedure over de afschrijving van beleggingsvastgoed door X BV, waarbij de centrale geschilpunten zijn of grond en opstal als één bedrijfsmiddel moeten worden beschouwd en hoe de restwaarde bij aanschaf moet worden bepaald.
De belanghebbende hanteerde een restwaarde van de opstallen nihil en hield geen rekening met waardestijging van de grond, terwijl de Inspecteur een hogere restwaarde en een lager afschrijvingspercentage toepaste. Het Hof Arnhem stelde zich op het standpunt dat grond en opstal één bedrijfsmiddel vormen indien de grond geen zelfstandige functie heeft, en dat de restwaarde bij aanschaf niet moet worden gecorrigeerd voor toekomstige waardestijgingen.
De conclusie bespreekt uitvoerig de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het Café/dancing-arrest, het Pui-arrest en het vijfsterrenhotel-arrest, en benadrukt dat goed koopmansgebruik vereist dat restwaardecorrecties alleen plaatsvinden bij aanmerkelijke en blijvende waardestijgingen die reeds zijn gerealiseerd. Tevens wordt ingegaan op internationale standaarden zoals IFRS, die een componentenbenadering voorschrijven, en op beleidsvoorstellen en praktijkproblemen rond afschrijving op vastgoed.
De conclusie adviseert dat afschrijving gebaseerd moet zijn op het matchingbeginsel, waarbij grond in beginsel niet afgeschreven wordt, en dat restwaardebepaling bij aanschaf uitgaat van de historische kostprijs zonder inflatiecorrectie. Dit standpunt sluit aan bij de bestaande jurisprudentie en fiscale regelgeving.
Uitkomst: De conclusie adviseert dat grond en opstal als één bedrijfsmiddel worden beschouwd en dat restwaardebepaling bij aanschaf uitgaat van de historische kostprijs zonder correctie voor toekomstige waardestijgingen.