ECLI:NL:PHR:2006:AY8312
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over schadeloosstelling en proceskosten bij onteigening bedrijfsgrond
De zaak betreft een geschil tussen een gemeente en een onteigende over de vaststelling van de schadeloosstelling in verband met de vervroegde onteigening van bedrijfsgrond. De gemeente had de onteigening uitgesproken en een voorschot op de schadeloosstelling betaald. De onteigende betwistte de hoogte van de schadeloosstelling en stelde dat de peildatum onjuist was toegepast.
De Hoge Raad bevestigt dat de datum van inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening in de openbare registers de maatgevende peildatum is voor de schadeloosstelling, conform art. 40a Onteigeningswet. Echter, deze regel is niet dwingend en kan op grond van redelijkheid en billijkheid worden beperkt. De rechtbank had ten onrechte rekening gehouden met voortgezet gebruik als schadebeperkende omstandigheid zonder vast te stellen dat een aanbod tot voortgezet gebruik was gedaan en aanvaard.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van stagnatieschade en renteschade de rechtbank onvoldoende inzicht had gegeven in de begroting van voordelen en nadelen. Ook bevestigt de Hoge Raad dat kosten van rechtsbijstand en deskundigenkosten integraal vergoed kunnen worden, ongeacht of deze voor of tijdens het geding zijn gemaakt, mits zij redelijk zijn. De rechtbank had echter onvoldoende gemotiveerd waarom bepaalde kosten niet werden vergoed.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling, maar wijst het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van de gemeente af.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van schadeloosstelling en proceskosten.