ECLI:NL:PHR:2006:AX8834
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid van pandovereenkomsten en zekerheidsstelling in faillissementsrecht
Deze zaak betreft een geschil tussen de curator van de gefailleerde moedermaatschappij Sanilec Investments BV en ABN AMRO Bank, de huisbankier van Sanilec en haar dochtervennootschappen. De kern van het geschil is de rechtsgeldigheid van pandovereenkomsten die Sanilec sloot met de bank ter zekerheid van de schulden van haar dochters, en of deze zekerheidsstellingen onrechtmatig zijn vanwege vermeende samenspanning en onredelijkheid.
Sanilec was hoofdelijk verbonden met haar dochtervennootschappen Installatiemaatschappij [A] BV en ITD Installatietechniek Dordrecht BV via een hoofdelijkheidsovereenkomst met de bank. De bank had op grond van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV), met name artikel 20, het recht aanvullende zekerheden te vragen indien bestaande zekerheden onvoldoende waren. Na overschrijding van de kredietlimiet en opzegging van de kredietovereenkomst, stelde Sanilec aanvullende zekerheden in de vorm van verpanding van restitutievorderingen vennootschapsbelasting.
De curator stelde dat deze zekerheidsstellingen nietig of vernietigbaar waren, onder meer wegens het ontbreken van een verplichting tot aanvullende zekerheidstelling na kredietopzegging en wegens samenspanning in de zin van artikel 47 Faillissementswet Pro. Zowel de rechtbank als het hof verwierpen deze stellingen. De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot zekerheidstelling voortvloeit uit de hoofdelijkheidsovereenkomst en de ABV, ook na opzegging van de kredietovereenkomst, en dat de bank gerechtigd was aanvullende zekerheden te verlangen omdat de bestaande zekerheden onvoldoende waren. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat er geen sprake was van samenspanning tussen de bank en Sanilec die de vernietiging van de pandovereenkomsten zou rechtvaardigen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de pandovereenkomsten rechtsgeldig zijn en wijst het beroep van de curator af.