ECLI:NL:PHR:2006:AW9383
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onbevoegdheid Nederlandse rechter bij echtscheiding zonder gewone verblijfplaats in Nederland
Partijen zijn in 1989 op de Nederlandse ambassade in Abu Dhabi gehuwd. De man, met de Nederlandse nationaliteit, woont feitelijk veelal op de Filippijnen en verblijft nauwelijks in Nederland. De vrouw heeft de Thaise nationaliteit en heeft nooit in Nederland gewoond.
De man verzocht in 2003 de rechtbank te Leeuwarden om echtscheiding uit te spreken. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd op grond van art. 2 Brussel Pro II-Verordening, omdat de man niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland had en de vrouw geen Nederlandse nationaliteit had noch in Nederland woonde. Het hof bekrachtigde dit oordeel in hoger beroep.
De man stelde cassatie in tegen het oordeel dat hij niet zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, stellende dat het begrip gewone verblijfplaats gelijk is aan woonplaats volgens het Nederlandse recht. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat gewone verblijfplaats een autonoom begrip is in de Brussel II-Verordening, dat het permanente centrum van belangen betreft, niet gelijk aan woonplaats in het nationale recht.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd dat de man zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland had, gezien zijn feitelijke verblijf op de Filippijnen. Ook werd het beroep verworpen dat de Nederlandse rechter het recht op private life zou hebben geschonden. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft wegens ontbreken van gewone verblijfplaats in Nederland.