ECLI:NL:PHR:2006:AW2473

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01748/05 J
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 lid 2 SvArt. 326 lid 4 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van eis tot motivering van verweer in cassatieprocedure poging tot afpersing

In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens poging tot afpersing tot een jeugddetentie van 136 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Namens verdachte is cassatie ingesteld met het middel dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een door een deskundigenrapport onderbouwd verweer.

Het deskundigenrapport van Prof. Dr. P.J. van Koppen, overgelegd in hoger beroep, werd aangevoerd om de betrouwbaarheid van de bekentenissen van verdachte aan te vechten. Echter blijkt uit het proces-verbaal en het bestreden arrest niet dat dit verweer uitdrukkelijk en feitelijk onderbouwd is ingebracht tijdens de terechtzitting of in een pleitnota.

De Hoge Raad stelt dat volgens artikel 359 lid 2 Sv Pro het hof slechts hoeft te motiveren indien het afwijkt van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Omdat het verweer niet als zodanig is ingebracht, is het middel ongegrond. De Hoge Raad wijst er tevens op dat advocaten ervoor moeten zorgen dat verweren schriftelijk en feitelijk onderbouwd worden vastgelegd. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het verweer niet uitdrukkelijk en feitelijk onderbouwd is ingebracht.

Conclusie

Nr. 01748/05 J
Mr. Machielse
Zitting: 11 april 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is op 10 maart 2005 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens poging tot afpersing veroordeeld tot 136 dagen jeugddetentie waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met een bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven.
2. Namens de verdachte heeft mr. N. Dekens, advocaat te Amsterdam cassatie ingesteld en heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het enige middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op een door een deskundigenrapport onderbouwd standpunt van de verdachte.
4. Art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv houdt in:
"Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van de door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid."
5. Het middel kan niet slagen omdat een "uitdrukkelijk onderbouwd" standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro hier ontbreekt. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat het door de steller van het middel genoemde "deskundigenrapport" is overgelegd, maar niet dat door of namens de verdachte op grond van dat rapport enig standpunt is ingenomen.(1) De stukken van het geding houden daaromtrent niet meer in dan wat uit de volgende bescheiden blijkt:
(i) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2004, inhoudend:
"De raadsman deelt mede dat hij in geval van aanhouding het dossier zal toesturen aan dhr. Van Koppen teneinde door deze een rapport op te laten maken omtrent de betrouwbaarheid van de bovenbedoelde door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen."
(ii) een aan de voorzitter gerichte brief van 9 februari 2005 van de raadsman, inhoudend:
"Inzake [verdachte]/OM, parketnr. 23.003055.04, waarvan de nadere behandeling ter terechtzitting van het hof is vastgesteld op 24 februari 2005 te 11.30 uur, zend ik u bijgaand in copie een rapport dd 28 januari 2005 met bijlagen van Prof. Dr. P.J. van Koppen, naar de inhoud waarvan ik u kortheidshalve wel moge verwijzen.
Ik verzoek u vriendelijk dit rapport als processtuk in het dossier te voegen. De Advocaat-Generaal heb ik heden eveneens een copie van dit rapport met bijlage gezonden."
De brief begeleidt het hiervoor genoemde inzake "De strafzaak tegen [verdachte]" opgemaakte rapport van Prof. dr. P.J. van Koppen, verbonden aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving.
(iii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2005, inhoudend:
"De raadsman van de verdachte legt over een rapport van 28 januari 2005 met bijlagen, opgemaakt door Prof. dr. P.J. van Koppen. Dit rapport bevindt zich bij de stukken."
6. Ik wijs er op dat het proces-verbaal van de terechtzitting en het naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting gewezen vonnis of arrest de kenbronnen zijn van gevoerde verweren. De raadsman moet ervoor waken dat een verweer waarover hij een beslissing verlangt schriftelijk wordt vastgelegd, hetzij door een pleitnota over te leggen, waarin het feitelijk onderbouwde verweer is weergegeven, en daarvan aantekening te verzoeken, hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 326 lid4 Sv te verzoeken dat het gevoerde verweer, met de feiten en omstandigheden waarop het berust, in het proces-verbaal wordt aangetekend.(2) Bij gebreke van zodanige vermelding in het proces-verbaal of aanhechting van een pleitnota aan het proces-verbaal moet het ervoor worden gehouden dat zo een verweer niet is gevoerd.(3)
7. Het middel faalt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Voorzover de raadsman sec het verweer heeft gevoerd dat de bekentenis onder ontoelaatbare druk is verkregen, heeft het hof dat overigens in de uitspraak expliciet verworpen.
2 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 74 en p. 79-82 alsmede HR 28 februari 1984, NJ 1985, 449, HR 22 april 1997, NJ 1998, 52 en HR 12 december 2000, nr. 01187/99; HR 22 november 2005, LJN AU1993.
3 Zie HR 6 december 2005, nr. 03446/04, in welke zaak een tweede middel was voorgesteld van dezelfde teneur als het thans aan de orde zijnde middel. De Hoge Raad deed het middel af met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering.