ECLI:NL:PHR:2006:AW0394
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak opzet bijstandsfraude wegens onvoldoende bewijs opzet verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van bijstandsfraude door het verzwijgen van door haar echtgenoot verrichte werkzaamheden bij een horecagelegenheid en het opzettelijk niet verstrekken van benodigde gegevens aan de Sociale Dienst.
Het hof baseerde zijn oordeel op observaties, verklaringen en ondertekende inkomstenformulieren, en concludeerde dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat haar echtgenoot meer uren werkte dan opgegeven, en dat zij met het oogmerk handelde om hogere bijstand te verkrijgen. Verdachte voerde aan dat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, niet wist wat zij ondertekende en dat haar echtgenoot alles regelde.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte het opzet had om onjuiste gegevens te verstrekken en dat zij begreep dat onbetaalde werkzaamheden opgegeven moesten worden. Het hof liet bovendien onbesproken dat verdachte geen uitleg had gekregen over haar verplichtingen en dat zij gebrekkig Nederlands sprak. Daarom is het middel gegrond en wordt het arrest vernietigd. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing of anderszins passend door de Hoge Raad beslist.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart het middel gegrond wegens onvoldoende bewijs van opzet.