ECLI:NL:PHR:2006:AV0834
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de kostenaftrekbeperking voor deelnemingen in derde landen onder het EG-kapitaalverkeer en vestigingsvrijheid
De zaak betreft de vraag of de kostenaftrekbeperking van artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die betrekking heeft op kosten verbonden aan deelnemingen in derde landen, verenigbaar is met het vrije kapitaalverkeer zoals neergelegd in artikel 56 EG Pro-Verdrag en de vestigingsvrijheid uit artikel 43 EG Pro-Verdrag.
De belanghebbende, onderdeel van een groep met meerderheidsdeelnemingen in diverse derde landen, had kosten toegerekend aan deze deelnemingen in haar fiscale winst, welke aftrek door de Inspecteur werd geweigerd. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de nationale regeling onder de standstillbepaling van artikel 57, lid 1, EG-Verdrag valt en dus niet in strijd is met het EG-recht. De belanghebbende stelde cassatieberoepen in, onder meer met het argument dat de standstillbepaling niet van toepassing zou zijn en dat artikel 44 van Pro de Associatieovereenkomst met Polen een andere uitkomst zou vereisen.
De Hoge Raad bevestigt dat de vrijheid van kapitaalverkeer ook investeringen in meerderheidsdeelnemingen in derde landen omvat en dat de vestigingsvrijheid niet extraterritoriaal geldt. De standstillbepaling van artikel 57 EG Pro-Verdrag beschermt de bestaande nationale regeling, waardoor de kostenaftrekbeperking niet onrechtmatig is. Daarnaast wordt geoordeeld dat de Associatieovereenkomst met Polen geen verbod op de aftrekbeperking inhoudt. Ten slotte wordt het beroep op integrale proceskostenvergoeding afgewezen.
De Hoge Raad acht prejudiciële vragen aan het HvJ EG niet nodig, omdat het antwoord op de gestelde vragen geen invloed heeft op de uitkomst van de zaak. De uitspraak bevestigt de beperkte reikwijdte van de vestigingsvrijheid buiten de EU en de beschermde status van bestaande nationale fiscale regels onder de standstillbepaling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de kostenaftrekbeperking van artikel 13, lid 1, Wet Vpb verenigbaar is met het EG-recht en verklaart het cassatieberoep ongegrond.