ECLI:NL:PHR:2006:AV0646
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vergoeding van kosten na eenzijdige beëindiging outplacementovereenkomst ondanks OR-bezwaren
In deze zaak stond centraal of E.ON verplicht was aan Motion Fors een vergoeding te betalen na eenzijdige beëindiging van een overeenkomst tot outplacementbegeleiding van personeel in het kader van een reorganisatie. Motion Fors had voorbereidende werkzaamheden verricht en personeel ingehuurd, maar de opdracht ging niet door vanwege een negatief advies van de Ondernemingsraad (OR).
E.ON stelde dat pas in september 2003 een overeenkomst was gesloten met een ontbindende voorwaarde gekoppeld aan het OR-advies, waardoor de overeenkomst niet in werking trad. Motion Fors betwistte dit en vorderde betaling op grond van een eerdere overeenkomst van februari 2003. De voorzieningenrechter en het hof oordeelden dat er wel een rechtsverhouding bestond en dat E.ON gehouden was de daadwerkelijk gemaakte kosten te vergoeden, ook na 15 september 2003.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van E.ON. Het hof had niet onrechtmatig de grenzen van de rechtsstrijd overschreden door de vordering toe te wijzen op gronden die niet door Motion Fors waren aangevoerd, maar had slechts veronderstellenderwijs de stelling van E.ON aangenomen om de gevolgen daarvan te beoordelen. Ook was het oordeel dat de betaling van €75.000 slechts betrekking had op kosten tot 15 september 2003 niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad bevestigde dat verplichtingen tot loondoorbetaling niet abrupt kunnen eindigen en dat E.ON daarom ook kosten na die datum moest vergoeden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat E.ON kosten aan Motion Fors moet vergoeden ondanks het negatieve OR-advies en betwiste overeenkomst.