ECLI:NL:PHR:2006:AU9361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM bij vervolging ongewenste vreemdeling wegens feitelijke onuitzetbaarheid
De zaak betreft de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in de vervolging van een verdachte die als ongewenste vreemdeling in Nederland verblijft. Eerder had het hof het OM niet-ontvankelijk verklaard wegens feitelijke onuitzetbaarheid van de verdachte, die zich in een overmachtsituatie zou bevinden. De verdachte gebruikte meerdere aliassen en had volgens het hof onvoldoende medewerking verleend om zijn illegale verblijf te beëindigen.
In deze procedure betoogde de raadsman dat het OM opnieuw niet-ontvankelijk verklaard moest worden, verwijzend naar de eerdere uitspraak. Het hof oordeelde echter dat het hier om een ander strafbaar feit op een ander tijdstip ging, waarbij nieuwe omstandigheden waren gebleken. Het hof stelde dat de vervolging ertoe dient de verdachte aan te sporen medewerking te verlenen aan zijn vertrek uit Nederland.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof niet gebonden is aan eerdere niet-ontvankelijkverklaringen voor andere feiten en dat het rekening mag houden met nieuwe feiten en omstandigheden. De verdachte had niet aannemelijk gemaakt dat hij alles had gedaan om zijn illegale verblijf te beëindigen. De vervolging dient een redelijk strafdoel en is niet onredelijk. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het OM is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ondanks eerdere niet-ontvankelijkverklaring voor een ander feit.