ECLI:NL:PHR:2006:AU9353
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafoplegging ondanks proceshouding verdachte bij valsheid in geschrift en oplichting
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 1 september 2000 tot en met 29 november 2000. Het hof had verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen de bewezenverklaring, omdat het hof de periode van de feiten had uitgebreid van 1 september 2000 naar 3 maart 2000. De Hoge Raad oordeelt dat dit een kennelijke vergissing is en herstelt de bewezenverklaring naar de oorspronkelijke periode. Daarnaast werd geklaagd over het meewegen van de proceshouding van verdachte bij de strafoplegging.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechter vrij is om bij de strafoplegging ook de opstelling van verdachte te betrekken, waaronder het gebrek aan inzicht in de ernst van het strafbare feit en het niet nemen van verantwoordelijkheid. Dit is niet in strijd met het EVRM of het IVBPR, noch met het nemo tenetur-beginsel. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, blijft gehandhaafd.