ECLI:NL:PHR:2006:AU7750
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzoek fiscale eenheid via aangifte vennootschapsbelasting is geldig
Deze zaak betreft de vraag of een verzoek om een fiscale eenheid tussen een moedervennootschap en haar dochtermaatschappij kan worden gedaan via de aangifte vennootschapsbelasting van de moeder. De dochter werd opgericht in 2000 en de moeder diende een aangifte in waarin zij aangaf dat er een fiscale eenheid bestond, ondanks dat in het formulier werd aangegeven dat er geen voeging had plaatsgevonden. De Inspecteur stelde dat er geen verzoek was gedaan en corrigeerde de aangifte.
Het Hof Arnhem oordeelde dat de aangifte wel degelijk als een verzoek om fiscale eenheid moest worden beschouwd, ook al was het formulier niet correct ingevuld. De Inspecteur had de belanghebbende de mogelijkheid moeten geven om het verzoek aan te vullen in plaats van het buiten behandeling te stellen. De zaak werd terugverwezen naar de Inspecteur om het verzoek alsnog te behandelen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de Wet Vpb geen vormvereisten stelt aan het verzoek om fiscale eenheid. Het verzoek is een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor de regels omtrent aanvraagbehandeling van toepassing zijn. De fiscus mag een aanvraag die niet op het voorgeschreven formulier is ingediend niet zonder meer buiten behandeling stellen zonder de aanvrager de gelegenheid te geven dit te corrigeren.
De Hoge Raad wijst tevens op het gelijkheidsbeginsel en het beleid van de fiscus om onvolledige verzoeken waar mogelijk zelf te repareren of de aanvrager daartoe in de gelegenheid te stellen. Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard, waarmee bevestigd wordt dat een verzoek om fiscale eenheid ook via een aangifte kan worden gedaan, mits de procedurele waarborgen worden nageleefd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een verzoek om fiscale eenheid via een aangifte kan worden gedaan en verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond.