ECLI:NL:HR:2006:AU7750
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat aangifte kan gelden als verzoek fiscale eenheid volgens artikel 15 Wet Vpb
In deze zaak stond centraal of een ingediende aangifte door belanghebbende tevens kon worden beschouwd als een verzoek om fiscale eenheid met haar dochtermaatschappij E B.V. op grond van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur had het verlies van belanghebbende vastgesteld zonder rekening te houden met het verlies van de dochter, hetgeen leidde tot bezwaar en beroep bij het Hof.
Het Hof oordeelde dat de aangifte duidelijk uitging van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en haar dochter en dat dit aangiftebiljet als een impliciet verzoek tot fiscale eenheid kon worden beschouwd. De Staatssecretaris stelde hiertegen beroep in cassatie in, stellende dat een aangifte niet gelijkgesteld kan worden aan een aanvraag.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat een verzoek om fiscale eenheid ook impliciet kan blijken uit een aangifte, ook zonder de formele machtiging van de dochter of het gebruik van het voorgeschreven formulier. Het feitelijke oordeel van het Hof over de duiding van de aangifte is niet toetsbaar in cassatie. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat een aangifte kan gelden als verzoek om fiscale eenheid.