ECLI:NL:PHR:2006:AU4331
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing landbouwvrijstelling bij niet feitelijk gebruikt perceel grond
In deze zaak staat centraal of de boekwinst op de verkoop van een perceel grond valt onder de landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting. Belanghebbende, een maatschap die een glastuinbouwbedrijf uitoefent, kocht een perceel grond met de bedoeling het te gebruiken voor bedrijfsuitbreiding. Het perceel werd echter niet feitelijk gebruikt voor de teelt van tuinbouwproducten, maar slechts omgespit en onkruidvrij gehouden. Na het niet doorgaan van de uitbreiding werd het perceel verkocht met winst.
De inspecteur stelde dat de boekwinst belastbaar was omdat het perceel niet dienstbaar was aan de feitelijke uitoefening van het landbouwbedrijf. Het hof volgde dit standpunt en oordeelde dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing was omdat het perceel niet daadwerkelijk werd gebruikt voor landbouwactiviteiten.
De Hoge Raad bevestigt dat de landbouwvrijstelling alleen geldt voor gronden die feitelijk dienstbaar zijn aan de uitoefening van het landbouwbedrijf. Het is niet voldoende dat de grond deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen. Ook tijdelijke niet-gebruikte grond kan onder omstandigheden als dienstbaar worden beschouwd, maar in dit geval was het perceel niet in gebruik en bestemd voor bouw, waardoor de vrijstelling niet van toepassing is.
De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en vernietigt het arrest van het hof, verwijzend naar de noodzaak van een juiste motivering omtrent het feitelijk gebruik en de dienstbaarheid van het perceel aan het landbouwbedrijf. Deze uitspraak verduidelijkt het criterium voor de toepassing van de landbouwvrijstelling bij waardeveranderingen van landbouwgrond.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering over het feitelijk gebruik van het perceel voor de landbouwvrijstelling.