ECLI:NL:PHR:2006:AS4122
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Reikwijdte van de vrijstelling voor diensten door lijkbezorgers in de omzetbelasting
De zaak betreft de uitleg van artikel 11, eerste lid, onderdeel h van de Wet op de omzetbelasting 1968, waarin diensten door lijkbezorgers zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Belanghebbende, een ondernemer die zich bezighoudt met het organiseren en leiden van uitvaartplechtigheden, voerde aan dat haar diensten onder deze vrijstelling vielen. De Inspecteur stelde echter dat zij ten onrechte een beroep deed op de vrijstelling en legde een naheffingsaanslag op.
Het Hof Den Bosch oordeelde dat de vrijstelling afhankelijk is van de hoedanigheid van de dienstverrichter en dat belanghebbende slechts een deel van de taken van een lijkbezorger verricht, waardoor zij niet onder de vrijstelling valt. Belanghebbende stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de vrijstelling strikt moet worden uitgelegd en dat de hoedanigheid van lijkbezorger vereist is, waarbij deze hoedanigheid wordt bepaald door het verrichten van alle kernactiviteiten: verzorging van het lichaam, uitvaartplechtigheid en teraardebestelling of crematie.
Verder oordeelde de AG dat hoewel belanghebbende één kerntaak verricht, zij niet als lijkbezorger in de zin van de wet kan worden aangemerkt. De faciliteit voor diensten tussen lijkbezorgers geldt alleen voor ondernemers die een gedeelte van de taak van een lijkbezorger uitvoeren en alleen indien zij jegens andere lijkbezorgers optreden. De zaak wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar de toepassing van deze faciliteit.
De conclusie benadrukt dat de vrijstelling een subjectief karakter heeft en dat de nationale wetgeving en beleidsbesluiten deze uitleg ondersteunen. De vrijstelling geldt ook voor exploitanten van begraafplaatsen en crematoria, die als aparte categorieën worden beschouwd. De zaak illustreert de complexiteit van de omzetbelastingvrijstelling in de context van lijkbezorging en de noodzaak van een strikte uitleg conform Europese jurisprudentie.
Uitkomst: De Hoge Raad overweegt dat de vrijstelling voor diensten door lijkbezorgers strikt subjectief moet worden uitgelegd en verwijst de zaak voor nader feitelijk onderzoek terug.