ECLI:NL:PHR:2005:AX8884

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2005
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
K 338
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46f lid 2 WrraArt. 46g lid 1 WrraArt. 46m.a WrraArt. 46o lid 3 Wrra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging schorsing raadsheer wegens verdenking poging zware mishandeling en poging doodslag

De Hoge Raad heeft op 14 december 2005 besloten de schorsing van een raadsheer te verlengen voor de maximaal toegestane termijn van drie maanden. De schorsing was oorspronkelijk uitgesproken vanwege een gerechtelijk vooronderzoek naar ernstige strafbare feiten waaronder poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag.

Het gerechtelijk vooronderzoek was op 14 oktober 2005 gesloten en op 1 december 2005 werd een kennisgeving van verdere vervolging aan de betrokkene betekend. Ondanks de sluiting van het vooronderzoek blijft de grond voor schorsing bestaan omdat de vervolging wordt voortgezet en er nog geen rechterlijke uitspraak is.

De raadsman van de betrokkene heeft aangegeven dat de betrokkene geen gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden over de verlenging van de schorsing. De Hoge Raad acht het ernstig vermoeden van schuld voldoende om de schorsing te verlengen, conform artikel 46f lid 2 aanhef en sub a in verbinding met artikel 46g lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Uitkomst: De Hoge Raad verlengt de schorsing van de raadsheer met drie maanden wegens een ernstig vermoeden van strafbare feiten.

Conclusie

K 338
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer,
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
Op 28 september 2005 heeft de Hoge Raad ingevolge art. 46f lid 2 aanhef en sub a in verband met art. 46 g lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) de verlenging van de schorsing als rechterlijk ambtenaar voor de wettelijke termijn van drie maanden uitgesproken van
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats], wonende aan [a-straat 1] te [woonplaats].
De schorsing is verlengd omdat de gronden waarop de schorsing van de betrokkene was uitgesproken, genoemd in het arrest van 7 juli 2005, onverminderd aanwezig waren. Blijkens dat arrest vormen de grondslag voor de schorsing de omstandigheden dat tegen de betrokkene een gerechtelijk vooronderzoek ter zake van een misdrijf is ingesteld en dat de aard en ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht, meebrengen dat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek niet zijn functie van raadsheer kan uitoefenen.
Ik stel vast dat voornoemde omstandigheden in zoverre veranderd zijn dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten en dat op 1 december 2005 een kennisgeving van verdere vervolging is betekend aan de betrokkene. De verdere vervolging heeft betrekking op de volgende strafbare feiten: 1. poging tot zware mishandeling, subsidiair mishandeling 2. poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling, meer subsidiair mishandeling. Ik verwijs naar de brief met bijlagen van de Hoofdofficier van Justitie, mr. A.B. Vast, van 13 december 2005, welke ik bij deze vordering overleg. Van overige nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de schorsing is mij niet gebleken.
De omstandigheid dat het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, neemt niet weg dat de grond voor schorsing als bedoeld in art. 46f lid 2 aanhef en sub a Wrra nog altijd bestaat nu de Officier van Justitie ervan kennis heeft gegeven dat de vervolging zal worden voortgezet en er nog geen rechterlijke uitspraak op de voortgezette vervolging is.
In een telefonisch gesprek op 9 december 2005 met de raadsman van de betrokkene, mr. J.P. Plasman, heeft de raadsman mij meegedeeld dat de betrokkene geen gebruik wil maken van de gelegenheid door de Procureur-Generaal op de vordering tot verdere verlenging van de schorsing te worden gehoord en dat hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. Een gehoor als bedoeld in art. 46o lid 3 Wrra heeft derhalve niet plaatsgevonden.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad de op 7 juli 2005 uitgesproken schorsing van [betrokkene] op de voet van art. 46f lid 2 aanhef en sub a in verband met art. 46 g lid 1 Wrra verder zal verlengen voor een periode van drie maanden.
's-Gravenhage, 14 december 2005
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden