ECLI:NL:PHR:2005:AU4803
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en ontvankelijkheid bij hoger beroep tegen vonnis rechtbank Haarlem nevenzittingsplaats Rotterdam
In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens medeplegen van een overtreding van de Opiumwet tot twee jaar gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer. Namens verdachte werd cassatie ingesteld met twee middelen. Het eerste middel betrof de ontvankelijkheid van het hoger beroep, dat door het hof was verklaard ondanks dat het hoger beroep was ingesteld bij de griffie van de rechtbank Rotterdam, terwijl het vonnis was gewezen door de rechtbank Haarlem, nevenzittingsplaats Rotterdam.
De Hoge Raad bevestigt dat Rotterdam een nevenzittingsplaats is van de rechtbank Haarlem en dat de griffie van Haarlem mede gevestigd is in Rotterdam. Hierdoor is het niet onjuist dat de officier van justitie bij het parket Rotterdam als plaatsvervangend officier van justitie bij het parket Haarlem bevoegd is om hoger beroep in te stellen bij de griffie te Rotterdam. Het hof heeft terecht geoordeeld dat sprake was van een evidente misslag in de appelakte waarbij 'Rotterdam' gelezen moet worden als 'Haarlem'. Dit leidt niet tot een misverstand over het voorwerp van het hoger beroep.
Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en 14 IVBPR. De Hoge Raad constateert dat de termijn tussen het instellen van cassatie en ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad te lang was, waardoor de straf verminderd moet worden. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de strafhoogte betreft en kan de straf verminderen tot de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het hoger beroep ondanks een misslag en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.