ECLI:NL:PHR:2005:AT7122

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00547/05 W
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28.3 WOTSArt. 31 WOTSArt. 32, negende lid, WOTSArt. 2, eerste lid, onder A, Opiumwet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak inzake tenuitvoerlegging buitenlandse straf wegens onduidelijke kwalificatie en motivering

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de tenuitvoerlegging in Nederland van een gevangenisstraf opgelegd door een Venezolaans gerechtshof is toegestaan. De rechtbank had het bewezenverklaarde feit uit Venezuela gekwalificeerd als medeplegen van een strafbaar feit onder de Nederlandse Opiumwet, terwijl het buitenlandse gerechtshof het als medeplichtigheid aan het verbergen van cocaïne had aangemerkt.

De verdediging klaagde dat de Nederlandse rechtbank onterecht tot een andere strafrechtelijke kwalificatie was gekomen zonder nadere motivering, en dat de uitspraak in verkorte vorm was gegeven zonder voldoende onderbouwing van de strafbepaling volgens Nederlandse maatstaven. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank had moeten motiveren waarom zij tot een andere kwalificatie kwam en dat het ontbreken van een uitgebreide uitspraak niet voldeed aan de eisen van art. 31 WOTS Pro.

Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden uitspraak en verwees de zaak terug voor een nieuwe behandeling en beslissing, waarbij de rechtbank de strafrechtelijke kwalificatie en straftoemeting duidelijk moet motiveren, mede rekening houdend met de kwalificatie van het buitenlandse gerechtshof.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug voor nieuwe behandeling wegens onvoldoende motivering en onduidelijke strafrechtelijke kwalificatie.

Conclusie

Griffienr. 00547/05
Mr. Wortel
Zitting:31 mei 2005
Conclusie inzake:
[verzoekster=de veroordeelde]
1. Dit cassatieberoep betreft een uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam waarbij de tenuitvoerlegging in Nederland van een straf, verzoekster opgelegd door het Tribunal de Ejecución del Circuito Judicial Penal del Estado Nueva Esparta, La Asunción, Venezuela, toelaatbaar is verklaard en waarbij die straf op de voet van art. 31 WOTS Pro is bepaald op gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk.
2. Namens verzoekster heeft mr. K.K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank het door bovengenoemd rechterlijk college te Venezuela bewezenverklaarde feit ten onrechte naar Nederlands recht heeft aangemerkt als het strafbare feit "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", aangezien dat bewezenverklaarde feit in de uitspraak van bedoeld rechterlijk college is aangemerkt als "medeplichtigheid in het delict van het verbergen" (van 6,775 kg cocaïne bevattend materiaal).
4. De stukken die overeenkomstig het toepasselijke Verdrag (Trb. 1996, 297 en Trb. 1998, 106) zijn overgelegd houden inderdaad in dat de rechter in de overdragende Staat het bewezenverklaarde feit aldus (rechtskundig) heeft aangeduid.
5. Mede omdat de Rechtbank te Rotterdam heeft volstaan met een verkorte uitspraak (een uitgewerkte uitspraak is althans niet aan de Hoge Raad toegezonden), waarin niet is uiteengezet waarom de Rechtbank het feit naar Nederlands recht heeft aangemerkt als "medeplegen" en in zoverre is afgeweken van de rechter in Venezuela die het feit naar het recht van die Staat als "medeplichtigheid" heeft beschouwd, meen ik dat het middel terecht is voorgesteld.
6. Dat moet tot vernietiging van de bestreden uitspraak voeren, aangezien het verschil tussen de twee vormen van deelneming wezenlijke invloed op de straftoemeting kan hebben.
7. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat de Rechtbank heeft volstaan met een uitspraak in verkorte vorm, zodat niet is voldaan aan art. 31 WOTS Pro.
8. Ook die klacht treft naar mijn inzicht doel. De uitspraak waarbij verlof wordt verleend een in den vreemde opgelegde straf in Nederland ten uitvoer te leggen dient naar luid van het eerste lid van art. 31 WOTS Pro met redenen te zijn omkleed en de bijzondere redenen te bevatten die van belang zijn voor het vaststellen van de straf naar Nederlandse maatstaven. Dienaangaande is in de verkorte uitspraak niets te vinden. Ook dit gebrek zal tot vernietiging van de bestreden uitspraak moeten voeren, temeer omdat uit het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank blijkt dat de verdediging daar reeds heeft betoogd dat bij het bepalen van de straf in aanmerking dient te worden genomen dat de Venezolaanse rechter verzoekster (slechts) als medeplichtige heeft beschouwd. Mede in verband met dat betoog zijn de beslissingen betreffende de strafbaarheid van het feit naar Nederlands recht en de straftoemeting onvoldoende met redenen omkleed.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, en de zaak op de voet van art. 32, negende lid, WOTS voor een nieuwe behandeling en beslissing zal worden verwezen of teruggewezen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,