ECLI:NL:PHR:2005:AT7091
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verplichting tot wijzen op verschoningsrecht van getuigen bij verhoor door opsporingsambtenaren
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete wegens opzettelijk onjuiste vennootschapsbelastingaangiften en valsheid in geschrift. De zaak omvatte ook discussie over het verschoningsrecht van getuigen, met name medewerkers van een notariskantoor die als getuigen werden gehoord.
Het hof had geoordeeld dat opsporingsambtenaren verplicht waren een getuige te wijzen op het verschoningsrecht, maar de Hoge Raad stelt dat een dergelijke wettelijke verplichting niet bestaat. Hoewel het gebruikelijk en nuttig kan zijn getuigen op hun verschoningsrecht te wijzen, is dit geen wettelijk voorschrift en het ontbreken hiervan maakt verklaringen niet per definitie onbruikbaar.
De Hoge Raad bevestigt verder de bewezenverklaring dat de verdachte als feitelijk leidinggevende van de vennootschap de onjuiste aangiften heeft ingediend. Ook het hof heeft terecht geoordeeld dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is voor de valsheid in geschrift met betrekking tot een huurovereenkomst.
Ten aanzien van de strafoplegging vernietigt de Hoge Raad het arrest slechts voor zover het de strafoplegging betreft, matigt de straf tot 163 dagen gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en verwerpt de overige cassatiemiddelen. De zaak bevat tevens uitgebreide overwegingen over het verschoningsrecht en de rol van opsporingsambtenaren bij het verhoor van getuigen met een afgeleid verschoningsrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot een gevangenisstraf van 163 dagen en een geldboete, en oordeelt dat opsporingsambtenaren niet verplicht zijn getuigen te wijzen op hun verschoningsrecht.