ECLI:NL:PHR:2005:AT7063
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldboete wegens geweld met rekening houden met redelijke termijn
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verzoeker is veroordeeld wegens het plegen van geweld met verenigde krachten tegen personen. Het hof legde een geldboete van €350,- op, met vervangende hechtenis bij niet-betaling, en kende deels een vordering toe aan de benadeelde partij.
De raadsman van verzoeker had tijdens de terechtzitting in hoger beroep betoogd dat rekening moest worden gehouden met het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten in augustus 1999 en de behandeling van het beroep in januari 2004, wat neerkomt op ruim vier jaar. Dit betoog werd echter niet expliciet opgevat als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De Hoge Raad stelt dat het hof dit betoog wel als zodanig had moeten verstaan en daarop een gemotiveerde beslissing had moeten geven. Desondanks concludeert de Hoge Raad dat het hof en de advocaat-generaal bij de straftoemeting impliciet rekening hebben gehouden met het tijdsverloop, wat blijkt uit de lagere straf dan in eerste aanleg en de strafeis waarbij het tijdsverloop werd betrokken.
Daarom leidt het ontbreken van een expliciete motivering niet tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt geldboete met rekening houden met redelijke termijn.