ECLI:NL:PHR:2005:AT7063

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02384/04
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36f Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldboete wegens geweld met rekening houden met redelijke termijn

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verzoeker is veroordeeld wegens het plegen van geweld met verenigde krachten tegen personen. Het hof legde een geldboete van €350,- op, met vervangende hechtenis bij niet-betaling, en kende deels een vordering toe aan de benadeelde partij.

De raadsman van verzoeker had tijdens de terechtzitting in hoger beroep betoogd dat rekening moest worden gehouden met het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten in augustus 1999 en de behandeling van het beroep in januari 2004, wat neerkomt op ruim vier jaar. Dit betoog werd echter niet expliciet opgevat als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

De Hoge Raad stelt dat het hof dit betoog wel als zodanig had moeten verstaan en daarop een gemotiveerde beslissing had moeten geven. Desondanks concludeert de Hoge Raad dat het hof en de advocaat-generaal bij de straftoemeting impliciet rekening hebben gehouden met het tijdsverloop, wat blijkt uit de lagere straf dan in eerste aanleg en de strafeis waarbij het tijdsverloop werd betrokken.

Daarom leidt het ontbreken van een expliciete motivering niet tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt geldboete met rekening houden met redelijke termijn.

Conclusie

Griffienr. 02384/04
Mr. Wortel
Zitting:31 mei 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" is veroordeeld tot een geldboete van € 350,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zeven dagen hechtenis.
Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat verzoeker van deze betalingsverplichtingen zal zijn bevrijd indien en voor zover hij aan de andere, jegens of ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting heeft voldaan.
2. Namens verzoeker heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Er is één middel voorgesteld, behelzende de klacht dat het Hof heeft nagelaten een gemotiveerde beslissing te nemen op het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman aldaar ten aanzien van de strafmaat betoogd:
"Subsidiair voor zover u wel tot een bewezenverklaring komt, verzoek ik u desalniettemin om het vonnis van de Rechtbank te vernietigen. Cliënt is een dienstverlening opgelegd van 120 uren. In mijn visie dient voor zover u tot een veroordeling komt daar een fors stuk op in mindering te komen. Ik wijs in dat verband allereerst op het feit dat cliënt first offender is. Voorts op de omstandigheden van het geval en op het tijdsverloop. De feiten zijn gepleegd op 29 augustus 1999, het vonnis van de Rechtbank is gedateerd op 1 oktober 2001, de stukken zijn bij uw Hof binnengekomen op 17 juli 2003 en de behandeling van het appèl is thans op 6 januari 2004, derhalve twee jaar en drie maanden na datum vonnis Rechtbank. Daar dient bij de straftoemeting in mijn visie rekening mee te worden gehouden."
5. Ofschoon van een rechtsgeleerd raadsman verwacht zou moeten kunnen worden dat hij, indien hij het standpunt wenst te betrekken dat de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn voor berechting is overschreden, zulks met zoveel woorden zegt, en de raadsman dat in dit geval niet heeft gedaan, meen ik dat het Hof het hierboven weergegeven standpunt had moeten verstaan als het betoog dat er bij de straftoemeting rekening mee moet worden gehouden dat de behandeling van de strafzaak in twee feitelijke instanties te lang heeft geduurd, derhalve als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
6. Zo een verweer vergt een gemotiveerde beslissing. In de bestreden uitspaak is evenwel niets vastgesteld omtrent de duur van de berechting.
7. De door het Hof opgelegde, hierboven onder 1 genoemde, straf - een geldboete - is aanmerkelijk minder zwaar dan de 'werkstraf' die verzoeker in eerste aanleg is opgelegd.
Opmerking verdient dat het Hof minder bewezen heeft verklaard dan de Rechtbank, met name ten aanzien van het door verzoeker uitgeoefende geweld.
Opmerking verdient evenwel ook, dat uit het formulier waarop de advocaat-generaal bij het Hof zijn eis heeft aangetekend, valt af te leiden dat ook hij van oordeel was dat ten aanzien van het door verzoeker toegepaste geweld alleen bewezen kan worden verklaard dat verzoeker het slachtoffer heeft geslagen (en dus niet, zoals de Rechtbank mede bewezen achtte, degene is geweest die het slachtoffer een kopstoot heeft gegeven en hem een glas in het gelaat heeft geduwd).
Blijkens het proces-verbaal der terechtzitting heeft de advocaat-generaal bij zijn strafeis voorts "mede gelet op het tijdsverloop".
8. Nu het Hof, wat de bewezenverklaring als grondslag voor de straftoemeting betreft, hetzelfde oordeel heeft bereikt als zijn advocaat-generaal, en ook dezelfde straf heeft opgelegd als door de advocaat-generaal gevorderd; de laatste met "het tijdsverloop" nadrukkelijk rekening heeft gehouden terwijl de in hoger beroep gevorderde en opgelegde straf aanmerkelijk milder is dan de in eerste aanleg bepaalde straf, kan het er naar mijn oordeel voor gehouden worden dat het Hof, evenals de advocaat-generaal, bij de straftoemeting heeft meegewogen dat verzoeker niet is berecht binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM doch door een kennelijke misslag is verzuimd dit in de bestreden uitspraak te vermelden.
9. Daarom meen ik dat het middel niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoeft te leiden.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,