ECLI:NL:PHR:2005:AT2855
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wethouder voor schending ambtsgeheim omtrent identiteit verdachte moord Pim Fortuijn
Op 6 mei 2002, de avond van de moordaanslag op Pim Fortuijn, werd de verdachte, toen wethouder en tweede loco-burgemeester van een gemeente, telefonisch geïnformeerd over de identiteit van de vermoedelijke dader, die nog niet openbaar was. Ondanks de vertrouwelijkheid van deze informatie, maakte hij deze bekend aan een derde persoon die niet gerechtigd was deze kennis te nemen.
De rechtbank en het hof hebben de verdachte veroordeeld wegens schending van het ambtsgeheim zoals bedoeld in artikel 272 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelde dat de identiteit van de verdachte een geheim vormde dat uit hoofde van zijn ambt bewaard moest worden en dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij deze informatie niet mocht delen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. Hij bevestigde dat een wethouder een ambt bekleedt en dat de informatie over de identiteit van de verdachte in de gegeven omstandigheden als geheim moet worden beschouwd. Ook het verweer dat verdachte niet wist dat het om een geheim ging, werd verworpen. De strafrechtelijke bescherming van het ambtsgeheim strekt zich uit tot informatie die uit hoofde van het ambt is verkregen en waarvan het bewaren noodzakelijk is voor de vervulling van de overheidstaak.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigde de veroordeling van de wethouder voor het schenden van het ambtsgeheim en handhaafde de opgelegde geldboete.