ECLI:NL:PHR:2005:AT1754
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de schatting en verdeling van wederrechtelijk verkregen voordeel bij opzetheling
In deze zaak staat de beoordeling van de schatting van het voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen door opzetheling centraal. Het hof had het voordeel vastgesteld op 30.936 euro en de veroordeelde verplicht tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De verdediging voerde aan dat het hof onjuist was om een bepaalde getuigenverklaring als bewijs te gebruiken, omdat deze niet betrouwbaar zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat een afwijkende verdeling van het voordeel, anders dan in gelijke delen, niet aannemelijk is. Hoewel het hof bepaalde verklaringen niet als redengevend bewijs achtte, was het toegestaan om deze verklaringen mee te wegen in de bewijsvoering. Ook het middel dat het hof uit een verklaring niet kon afleiden dat de opbrengst van een andere opzetheling gedeeld zou worden, faalt omdat het hof dit oordeel niet onbegrijpelijk heeft geacht.
De Hoge Raad ziet geen reden om het vonnis ambtshalve te vernietigen en verwerpt het cassatieberoep. Daarmee blijft de beslissing van het hof in stand dat de veroordeelde het voordeel van 30.936 euro aan de Staat moet betalen.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van 30.936 euro aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.