ECLI:NL:PHR:2005:AS5550

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02000/04 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vermindert ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in Goudhaantje-zaak

In deze zaak stond de redelijke termijn van behandeling centraal, waarbij het hof Amsterdam had vastgesteld dat de termijn tussen het instellen van het hoger beroep en de ontvangst van stukken meer dan twee jaar bedroeg. Hoewel het hof de overschrijding erkende, achtte het geen aanleiding tot rechtsgevolgen vanwege de complexiteit van de zaak en de voortvarende afhandeling daarna.

De Procureur-Generaal stelde echter dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had, omdat de mate van overschrijding bepalend is voor het rechtsgevolg, en dat complexiteit slechts relevant is voor de beoordeling of er überhaupt sprake is van overschrijding. De Hoge Raad volgde dit standpunt en oordeelde dat het ontnemingsbedrag passend verminderd moet worden.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft en stelde dat het bedrag door de Hoge Raad zelf vastgesteld kan worden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd erkend dat de overschrijding van de redelijke termijn in deze complexe straf- en ontnemingszaak wel degelijk gevolgen heeft.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn in de Goudhaantje-zaak.

Conclusie

Nr. 02000/04 P
Mr. Jörg
Zitting 1 februari 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=betrokkene]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 7 juni 2004 bevestigd een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 3 juli 2001, voorzover daarbij aan verzoeker ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (uit drugshandel) de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van - omgerekend - € 175.587,99.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof dat de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM niet tot vermindering van het ontnemingsbedrag behoeft te leiden.
4. Het hof heeft in de bestreden uitspraak met betrekking tot de redelijke termijn onder meer het volgende overwogen:
"()
Op grond van () met name het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep op 12 juli 2001 en de binnenkomst van de stukken ter griffie van het hof op 31 juli 2003, is het hof van oordeel dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden zodat er sprake is van schending van het recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM. Gelet echter op de daaropvolgende voortvarende afhandeling van de zaak in de appelfase is het hof van oordeel dat de totale overschrijding van de redelijke termijn slechts gering is. Mede gelet op de complexiteit, de aard en de omvang van het opsporingsonderzoek in de zogenaamde Goudhaantje-zaak, waarvan de strafzaak en de onderwerpelijke ontnemingszaak tegen de verdachte deel uitmaken, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en het hof zal daarom volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden."
5. Het hof heeft geoordeeld dat aan de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden vanwege de complexiteit, de aard en de omvang van het opsporingsonderzoek in de Goudhaantje-zaak waarvan de strafzaak tegen verzoeker en de onderhavige ontnemingszaak deel uitmaken.
6. Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het aan een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM te verbinden rechtsgevolg is immers afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, terwijl voor de beoordeling van de vraag òf de redelijke termijn is overschreden, mede van belang is de ingewikkeldheid van de zaak.(1)
7. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen verwijzing achterwege kunnen laten en het te betalen bedrag zelf kunnen verminderen.
8. Ambtshalve heb ik geen (andere) grond voor cassatie gevonden.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, en dit vast te stellen op een hoogte die Uw Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 16 november 2004, LJN: AR3202, rov. 5.3. en HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.9 m.nt. JdH.