ECLI:NL:PHR:2005:AR8024
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie onttrekking minderjarigen aan opzicht ex art. 279 Sr
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte werd veroordeeld wegens belaging en het opzettelijk onttrekken van twee minderjarige kinderen aan het opzicht van de moeder, zoals bedoeld in art. 279 Sr Pro. De kinderen verbleven feitelijk bij de moeder, maar hadden een omgangsregeling waarbij zij om de veertien dagen bij de vader verbleven. Op 28 juli 2002 bracht de vader de kinderen niet terug op het afgesproken tijdstip, waardoor hij volgens het hof de kinderen aan het opzicht van de moeder onttrok.
De Hoge Raad bespreekt de juridische betekenis van 'opzicht' en bevestigt dat dit begrip niet beperkt is tot de feitelijke toevertrouwing door het wettig gezag, maar ook kan samenvallen met het wettig gezag zelf. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat een omgangsregeling aanzienlijke gevolgen heeft voor de uitoefening van het ouderlijk gezag en dat het niet naleven van die regeling kan leiden tot frustratie van het opzicht van de andere ouder.
De Hoge Raad verwerpt het middel dat stelt dat het hof ten onrechte het niet terugbrengen van de kinderen kwalificeerde als onttrekking aan het opzicht. Ook het middel dat het oogmerk van de verdachte betwist wordt verworpen, omdat het hof voldoende bewijs vond dat de verdachte met het oogmerk handelde zijn ex-echtgenote te dwingen of vrees aan te jagen. Het cassatieberoep wordt afgewezen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens onttrekking aan het opzicht en belaging blijft in stand.