ECLI:NL:PHR:2005:AR8021
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg koersgevoeligheid en causaliteit bij handelen met voorwetenschap
In deze zaak is verzoeker veroordeeld wegens het handelen met voorwetenschap in effecten van [A] N.V. in de periode maart-april 1998. De bewezenverklaring betreft het beschikken over niet-openbare, koersgevoelige bijzonderheden over onvrede van grootaandeelhouders, besprekingen over samenwerking en mogelijke overnames met [B] B.V. en [C] S.A., en het bewerkstelligen van transacties in effecten terwijl deze informatie nog niet openbaar was.
De Hoge Raad oordeelt dat het wettelijk kader van art. 46 Wte Pro 1995 toelaat dat meerdere samenhangende bijzonderheden gezamenlijk als één koersgevoelige bijzonderheid worden beschouwd. Dit betekent dat niet elke afzonderlijke bijzonderheid op zichzelf koersgevoelig hoeft te zijn, mits de combinatie daarvan significant invloed op de koers kan hebben.
Verder wordt bevestigd dat de koersgevoeligheid moet worden beoordeeld in het licht van Richtlijn 2003/6/EG, waarbij een redelijk handelende belegger de niet-openbare informatie waarschijnlijk gebruikt bij beleggingsbeslissingen. Een kwantitatieve drempel is niet vereist; het gaat om de waarschijnlijkheid van invloed op de koers.
Ten aanzien van het causaliteitsvereiste stelt de Hoge Raad dat het bewijs dat verdachte over voorwetenschap beschikte bij het verrichten van transacties in beginsel voldoende is om aan te nemen dat hij die voorwetenschap heeft gebruikt. De verdachte kan dit bewijsvermoeden weerleggen door aannemelijk te maken dat de voorkennis geen rol heeft gespeeld bij zijn transacties.
De Hoge Raad wijst voorts op de noodzaak van richtlijnconforme interpretatie van nationale strafbepalingen en bevestigt dat Richtlijn 2003/6/EG totale harmonisatie beoogt, waardoor de nationale wetgeving in overeenstemming moet worden uitgelegd met de richtlijn. De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van de Europese regelgeving, jurisprudentie en de betekenis daarvan voor de strafrechtelijke toepassing in Nederland.
Uitkomst: Verzoeker is veroordeeld wegens handelen met voorwetenschap met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.