ECLI:NL:PHR:2005:AR5905
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Premieheffing AOW bij bereiken 65-jarige leeftijd zonder inkomen voorafgaand
Belanghebbende, geboren op 5 april 1936, bereikte in 2001 de leeftijd van 65 jaar. In dat jaar had zij vóór haar verjaardag geen inkomen, maar na haar 65e wel een ouderdomspensioen en pensioentermijnen, totaal €11.654. De Inspecteur legde een premieheffing voor de volksverzekeringen op over dit gehele bedrag, waarbij het AOW-premiepercentage tijdsevenredig werd toegepast.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de AOW-premieheffing over de periode vóór haar 65e, omdat zij toen geen inkomen genoot. Het Hof 's-Gravenhage oordeelde dat artikel 2 van Pro de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 1990 een tijdsevenredige berekening van het premiepercentage mogelijk maakt, maar erkende dat de regeling niet voorziet in situaties waarin vóór het bereiken van 65 jaar geen inkomen werd genoten. Het Hof koos voor een redelijke oplossing, maar liet de regeling in stand.
De Hoge Raad oordeelt dat de regeling van artikel 2 van Pro de Uitvoeringsregeling wel van toepassing is en dat de heffing van AOW-premie over het gehele inkomen niet strookt met artikel 10, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen (WFV), die bepaalt dat vanaf de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt geen AOW-premie verschuldigd is. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart het beroep van belanghebbende gegrond, waardoor het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond wordt verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verklaart het beroep van belanghebbende gegrond, waardoor de AOW-premieheffing over het gehele inkomen in het jaar van het bereiken van 65 jaar wordt teruggedraaid.