ECLI:NL:PHR:2005:AO3305
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onaftrekbaarheid van financieringskosten van negatieve inkomsten in de inkomstenbelasting
De zaak betreft de fiscale aftrekbaarheid van rentekosten die zijn gemaakt ter financiering van negatieve inkomsten, in casu terugbetalingen van verduisterde gelden door een voormalig directeur aan zijn werkgever. De belanghebbende had een hypotheekverhoging gebruikt om een bedrag van circa 500.000 gulden terug te betalen, waarvan de rente betwist werd als aftrekbare kosten.
Het Hof Arnhem had geoordeeld dat deze financieringsrente gelijkgesteld kon worden aan rente op aftrekbare kosten en dus aftrekbaar was. De Staatssecretaris stelde cassatie in en betoogde dat deze rentekosten niet tot verwerving, inning of behoud van inkomsten dienden en daarom niet aftrekbaar konden zijn.
De Hoge Raad stelt dat negatieve inkomsten, zoals terugbetalingen van verduisterde gelden, een erkende maar niet in de wet geregelde categorie zijn die voortvloeit uit het nettobeginsel. Rentekosten ter financiering van dergelijke negatieve inkomsten zijn geen aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 Wet Pro IB 1964, omdat zij niet dienen tot verwerving, inning of behoud van inkomsten. Deze financieringskosten vormen echter wel een negatieve inkomenspost die in het fiscale systeem thuishoort.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof ten onrechte de rentekosten als aftrekbare kosten heeft gekwalificeerd, maar dat dit niet leidt tot cassatie omdat de rentekosten ook niet als persoonlijke verplichtingen kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt daarmee de fiscale behandeling van de rentekosten als onderdeel van negatieve inkomsten.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; financieringskosten van negatieve inkomsten zijn geen aftrekbare kosten onder artikel 35 Wet IB 1964.