ECLI:NL:PHR:2004:AR2242
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen afschrijving op eeuwigdurend winstrecht in vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal of op een winstrecht, dat een aandeel geeft in de overwinst van een vennootschap onder firma, afschrijving kan worden toegepast in de vennootschapsbelasting over de jaren 2000, 2001 en 2002. Belanghebbende, een houdstermaatschappij, verwierf een kwart van het winstrecht en schreef dit af in haar aangiften. De inspecteur betwistte dit, waarna het Hof oordeelde dat het winstrecht geen bedrijfsmiddel is en afschrijving niet is toegestaan.
De Hoge Raad bevestigt dat het winstrecht kwalificeert als een duurzaam, zelfstandig overdraagbaar recht dat behoort tot het vaste kapitaal van een onderneming, en daarmee een bedrijfsmiddel kan zijn. Echter, het betreft een recht met een potentieel eeuwigdurend karakter, zonder technische of economische slijtage die afschrijving rechtvaardigt. De Hoge Raad wijst erop dat alleen op slijtende bedrijfsmiddelen afschrijving mogelijk is en dat het winstrecht in casu geen waardevermindering ondergaat die afschrijving rechtvaardigt.
Belanghebbende voerde aan dat het matchingbeginsel toepassing vindt, maar de Hoge Raad stelt dat dit beginsel pas relevant is als uitgaven als kosten kunnen worden aangemerkt, wat hier niet het geval is. Ook het bewijs van een duurzame waardedaling werd onvoldoende geleverd. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat geen afschrijving ten laste van de winst kan worden gebracht voor de jaren 2000, 2001 en 2002.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en afschrijving op het winstrecht wordt niet toegestaan.