ECLI:NL:PHR:2004:AP4475
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid ontslag tijdens ziekte en tijdige inroeping nietigheid door werknemer
In deze arbeidsrechtelijke zaak staat centraal of de werkgever, PR Bouw B.V., de arbeidsovereenkomst met de werknemer tijdens diens ziekteperiode rechtsgeldig heeft opgezegd en of de werknemer tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen.
De werknemer trad in dienst in 1993 en werd in juni 1997 medegedeeld dat een ontslagvergunning zou worden aangevraagd. De werknemer meldde zich ziek in september 1997. PR Bouw stelde dat het ontslag al mondeling op 19 september 1997 was aangezegd, vóór de ziekmelding, hetgeen de werknemer ontkende. De Kantonrechter achtte het bewijs van mondeling ontslag geleverd, maar de Rechtbank oordeelde anders en verwierp de vordering tot nietigverklaring.
De Hoge Raad bekeek in cassatie of de nietigheid van het ontslag tijdig was ingeroepen. Uit de stukken bleek dat de werknemer zich al in oktober 1997 op de nietigheid beriep. De werkgever betwistte dit, maar de rechtbank verwierp deze stelling als onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad bevestigde dat de nietigheid tijdig was ingeroepen en dat het ontslag tijdens ziekte nietig is.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep van PR Bouw, waarmee het oordeel van de Rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het ontslag tijdens ziekte is nietig en de werknemer heeft tijdig de nietigheid ingeroepen.