ECLI:NL:PHR:2004:AP4172
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt brede uitleg van arbeid verrichten onder artikel 197b Sr
In deze zaak stond centraal de uitleg van artikel 197b van het Wetboek van Strafrecht, dat het strafbaar stelt om een ander die zich wederrechtelijk in Nederland bevindt, krachtens overeenkomst arbeid te laten verrichten terwijl men weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat het verblijf of de toegang wederrechtelijk is.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte een persoon uit Roemenië naar Nederland had laten komen om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en voor zijn kinderen te zorgen, waarbij de tegenprestatie bestond uit kost en inwoning. Verdachte werd veroordeeld wegens het doen verrichten van arbeid krachtens overeenkomst in strijd met artikel 197b Sr.
Verdachte stelde cassatie in met het verweer dat artikel 197b Sr slechts van toepassing zou zijn bij georganiseerde handel in illegale arbeidskrachten en/of indien de arbeid werd verricht in een onderneming van handel of nijverheid. De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat de wetsgeschiedenis en memorie van toelichting niet wijzen op een dergelijke beperking. Ook huishoudelijke arbeid valt onder de reikwijdte van artikel 197b Sr.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof met zijn bewezenverklaring en motivering geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en dat de strafbaarheid niet beperkt is tot arbeid in ondernemingen van handel of nijverheid. Het beroep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens het doen verrichten van arbeid krachtens overeenkomst aan een illegale vreemdeling.