ECLI:NL:PHR:2004:AP1672
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overgang van onderneming en aansprakelijkheid voor achterstallig loon en vakantiegeld bij reorganisatie binnen concern
In deze zaak staat centraal of er sprake is van een overgang van onderneming binnen een concern, waarbij een werknemer zijn arbeidsovereenkomst voortzette bij een andere werkmaatschappij na een reorganisatie. De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon en vakantiegeld over een periode waarin hij formeel bij de oude werkgever in dienst was.
De Rechtbank oordeelde dat de vordering jegens de nieuwe werkgever alleen toewijsbaar is indien sprake is van een overgang van onderneming volgens artikel 7:662 e.v. BW. De Hoge Raad bevestigt dat deze beoordeling aan de feitenrechter toekomt en dat bij overgang van onderneming de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst overgaan op de verkrijger, ook voor verplichtingen die vóór de overgang zijn ontstaan.
De Hoge Raad wijst er op dat de werkgever die de onderneming overdraagt nog een jaar hoofdelijk aansprakelijk blijft voor verplichtingen die vóór de overgang zijn ontstaan. Tevens wordt bevestigd dat het beroep op verjaring door de nieuwe werkgever niet slaagt omdat dit niet tijdig en duidelijk is aangevoerd. De vordering van de werknemer is dus niet verjaard en kan worden toegewezen indien de overgang van onderneming is vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vordering tot betaling van achterstallig loon en vakantiegeld jegens de nieuwe werkgever is toewijsbaar indien sprake is van overgang van onderneming.