ECLI:NL:PHR:2004:AP0169
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid van huiszoeking zonder specifieke woningaanduiding in machtiging
In deze strafzaak stond centraal de vraag of de huiszoeking op het terrein aan een adres te [plaats B] rechtmatig was, ondanks dat de machtiging tot binnentreden niet vermeldde voor welke specifieke woning zij was afgegeven. De politie trad op 17 januari 2000 zonder toestemming van de bewoner binnen en trof diverse verboden goederen aan, waaronder een hennepkwekerij, namaakwapens en drugs.
De verdediging stelde dat de huiszoeking onrechtmatig was omdat de machtiging niet specifiek was en daardoor het bewijs uitgesloten moest worden. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de machtiging weliswaar niet specifiek was, maar dat uit het verslag van binnentreden bleek dat deze betrekking had op het gehele perceel met meerdere woningen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het ontbreken van een specifieke woningaanduiding in de machtiging niet onrechtmatig is indien uit het binnentredingsverslag blijkt dat de machtiging betrekking had op de woning(en) op het perceel. Tevens was er een redelijk vermoeden dat wapens aanwezig waren, gebaseerd op betrouwbare informatie van de politie. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de huiszoeking ondanks het ontbreken van een specifieke woningaanduiding in de machtiging.