ECLI:NL:PHR:2004:AO6930
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ambtshalve limitering en beëindiging van alimentatieverplichting na echtscheiding
In deze zaak gaat het om de vraag of het hof ambtshalve een termijn mocht verbinden aan de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw na hun echtscheiding, en of het hof terecht bepaalde dat verlenging van die termijn niet mogelijk was.
De man had verzocht om vermindering of op-nihilstelling van de alimentatie wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder zijn verhuizing naar Zwitserland en gewijzigde draagkracht. Het hof stelde de alimentatie vast op een lager bedrag tot 1 juli 2003 en bepaalde dat de verplichting daarna eindigde zonder verlengingsmogelijkheid. De vrouw stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelt dat het ambtshalve verbinden van een termijn aan de alimentatieverplichting op grond van artikel 1:157 lid 3 BW Pro niet is toegestaan; zo’n termijn kan alleen op verzoek van een van de echtgenoten worden vastgesteld. Bovendien moet een verzoek tot limitering ondubbelzinnig zijn. Het hof had het verzoek van de man niet als zodanig mogen interpreteren zonder nadere motivering en overleg met partijen. Ook was het niet bevoegd om te bepalen dat verlenging van de termijn uitgesloten is. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad motiveringsklachten over de vaststelling van draagkracht en behoefte, en over de weigering van het hof om te laat ingediende stukken te behandelen. Hoewel sommige motiveringsklachten gegrond zijn, blijven de vastgestelde alimentatiebedragen voor de periode tot 1 juli 2003 in stand. De Hoge Raad benadrukt het belang van hoor en wederhoor bij het overleggen van stukken en de motiveringsplicht van de rechter.
Uitkomst: Het hof mocht ambtshalve geen termijn verbinden aan de alimentatieverplichting; de zaak is vernietigd en terugverwezen.