ECLI:NL:PHR:2004:AO5716
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schending recht op rechtsbijstand door voortzetting onderzoek zonder aanhouding
Verdachte werd gedagvaard voor een zitting bij de politierechter te 's-Gravenhage op 21 juni 2001, maar ontving de dagvaarding pas op de ochtend van die dag. Op advies van zijn advocaat verscheen hij toch ter zitting. De politierechter begon zonder nadere vragen het onderzoek, ondanks dat verdachte mogelijk onvoldoende tijd had gehad zijn verdediging voor te bereiden of rechtsbijstand te regelen.
De Hoge Raad oordeelt dat de politierechter had moeten onderzoeken of verdachte aanhouding wenste om zich adequaat te kunnen laten bijstaan, conform art. 372 Sv Pro en het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro). Het ontbreken van een tijdige betekening van de dagvaarding en het advies van de advocaat rechtvaardigden het vermoeden dat verdachte rechtsbijstand wilde, maar niet tijdig kon regelen.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug naar de politierechter voor een nieuwe behandeling. Tevens constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn van behandeling, die bij een eventuele veroordeling moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Uitkomst: Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd wegens schending van het recht op rechtsbijstand en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.