ECLI:NL:PHR:2004:AO4611
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling machtiging tot plaatsing minderjarige in gesloten inrichting en inzagerecht ouders
De zaak betreft een geschil tussen ouders en Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant over de machtiging tot plaatsing van hun minderjarige dochter in een gesloten inrichting gespecialiseerd in de behandeling van seksueel misbruikte meisjes. De kinderrechter verleende de machtiging tot 30 december 2003 vanwege ernstige gedragsproblemen, waarna de ouders hoger beroep instelden met klachten over het ontbreken van inzage in onderzoeksrapporten en het nalaten van een deskundigenonderzoek.
Het hof verklaarde de ouders niet-ontvankelijk in hun aanvullend beroep en wees het hoger beroep verder af, mede omdat de minderjarige zelf geen inzage wenste te geven en bezwaar maakte tegen nader onderzoek. De Hoge Raad overweegt dat de ouders na afloop van de machtiging geen belang meer hebben bij cassatie en bevestigt dat het hof terecht geen deskundigenonderzoek heeft gelast. Tevens wordt benadrukt dat het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) vereist dat partijen inzage krijgen in bewijsstukken, maar dat in deze procedure de rapporten niet aan het hof zijn overgelegd.
De Hoge Raad wijst erop dat de feitelijke plaatsing wordt beslist door een selectiefunctionaris en dat de rechter slechts de machtiging verleent. De klachten van de ouders over motivering en plaats van verblijf van de minderjarige worden niet gegrond verklaard. Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na afloop van de machtiging.