ECLI:NL:PHR:2004:AO4098
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vergoeding kosten raadsman na beëindiging strafzaak zonder strafoplegging
In deze zaak stond de vraag centraal of een gewezen verdachte aanspraak kan maken op vergoeding van kosten van een raadsman, wanneer hij na afloop van een strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van art. 9a Sr afziet van de toevoeging en de advocaat op eigen kosten betaalt.
De Hoge Raad bevestigt dat een verdachte vrij is om al dan niet gebruik te maken van een toegevoegde raadsman en dat het enkel kiezen voor een eigen raadsman na afloop van de zaak niet leidt tot kosten die als kosten van een raadsman in de zin van art. 591a Sv kunnen worden aangemerkt. De vergoeding is beperkt tot kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt en redelijk zijn.
Het hof had eerder een vergoeding toegekend, maar de Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte is uitgegaan van jurisprudentie die betrekking heeft op civielrechtelijke vorderingen en dat de regeling in het Wetboek van Strafvordering anders moet worden uitgelegd. De Hoge Raad benadrukt dat de regeling in art. 591a Sv bedoeld is om kosten van rechtsbijstand te vergoeden die zijn gemaakt tijdens de strafzaak, niet kosten die na afloop worden gemaakt.
De uitspraak draagt bij aan rechtsuniformiteit en verduidelijkt dat een voorwaardelijke toevoeging in strafzaken niet mogelijk is en dat de verdachte niet kan worden gecompenseerd voor kosten van een raadsman die hij pas na het einde van de zaak besluit te betalen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en oordeelt dat kosten van een raadsman die na afloop van een strafzaak door de verdachte zelf worden betaald, niet als kosten van een raadsman in de zin van art. 591a Sv kunnen worden vergoed.