ECLI:NL:PHR:2004:AO3147
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van het Convenant fiscale behandeling premiereserve bij levensverzekeraars
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, berekende in 1992 de premiereserve van een pensioenverzekering deels op basis van een nieuw tarief, wat leidde tot een verhoging van de reserves en een hogere aftrekpost. De Inspecteur weigerde deze aftrek, stellende dat de herrekening in strijd was met het Convenant fiscale behandeling premiereserve uit 1969.
Het Hof Amsterdam stelde de Inspecteur in het gelijk en oordeelde dat het Convenant vereist dat de premiereserve wordt berekend op de grondslagen van het tarief waaronder de verzekering oorspronkelijk is gesloten, en dat een omrekening naar zwaardere grondslagen van een latere overeenkomst niet is toegestaan. Belanghebbende stelde dat er civielrechtelijk slechts één verzekeringsovereenkomst bestond, maar dit deed niet af aan het oordeel van het Hof.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst de cassatieberoepen af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de door belanghebbende gestelde vergoeding in premie-opslag wegens risico's niet aannemelijk was gemaakt en dat de stelplicht niet was nagekomen. De Hoge Raad benadrukt dat het 'lock-in-principle' uit het Convenant bindend is voor de fiscale winstbepaling van levensverzekeraars.
De conclusie is dat de fiscale behandeling van de premiereserve strikt gebonden is aan de oorspronkelijke tariefgrondslagen, en dat een latere omrekening naar hogere tarieven niet is toegestaan, ook niet bij verlenging van de verzekeringsovereenkomst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de premiereserve moet worden berekend op basis van de oorspronkelijke tariefgrondslagen.