ECLI:NL:PHR:2004:AO1936
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij toepassing Egyptisch erfrecht
In deze zaak heeft eiseres, weduwe en erfgenaam van betrokkene 1, een cassatieprocedure voortgezet na het overlijden van betrokkene 1 in Egypte. De procedure was geschorst vanwege het overlijden, waarna eiseres de voortzetting heeft aangevraagd.
De kernvraag betrof de toepasselijkheid van Egyptisch recht op de erfopvolging, aangezien betrokkene 1 de Egyptische nationaliteit bezat en zijn gewone verblijfplaats in Egypte had. Dit volgt uit artikel 1 van Pro de Wet conflictenrecht erfopvolging en artikel 3 lid 1 van Pro het Haags Verdrag Erfopvolging (1989).
De Hoge Raad stelde dat eiseres moet aantonen dat zij volgens Egyptisch recht (enig) erfgenaam is om ontvankelijk te zijn in cassatie. Omdat Egypte geen partij is bij het Haags Legalisatieverdrag (1961), moeten de bewijsstukken gelegaliseerd worden. De Hoge Raad besloot de beslissing aan te houden en eiseres de gelegenheid te geven de benodigde documenten te overleggen.
Uitkomst: Beslissing aangehouden om eiseres gelegenheid te geven bewijs te leveren van erfgenaamschap onder Egyptisch recht.