ECLI:NL:PHR:2004:AN8487
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij opheffing conservatoir vreemdelingenbeslag op Nederlandse Antillen
In deze zaak staat centraal welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tot opheffing van conservatoire vreemdelingenbeslagen die door SFT Bank N.V. zijn gelegd tegen [eiser 1] en Ditita Overseas Limited. Het betreft beslagen gelegd op 23 en 26 oktober 2000 en op 15 juni 2001. Het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) te Sint Maarten verklaarde zich bevoegd, maar het Gemeenschappelijk Hof vernietigde dit en verklaarde het GEA te Sint Maarten onbevoegd.
De Hoge Raad bespreekt de toepasselijkheid van de regels omtrent relatieve bevoegdheid, waarbij wordt vastgesteld dat regels van relatieve bevoegdheid niet van openbare orde zijn en dat de rechter zich zonder exceptie niet onbevoegd kan verklaren. De zaak draait om de vraag of [eiser 1] en Ditita een bekende woon- of verblijfplaats op de Nederlandse Antillen hebben, hetgeen bepalend is voor de kwalificatie van het beslag als vreemdelingenbeslag en daarmee de bevoegde rechter.
De Hoge Raad bevestigt dat het GEA te Curaçao bevoegd is, omdat SFT daar gevestigd is en de beslagen onder zichzelf heeft gelegd, en dat de beslagen goederen zich op Curaçao bevinden. De domiciliekeuze van [eiser 1] bij zijn advocaat op Sint Maarten kan niet met terugwerkende kracht worden toegerekend aan het moment van beslaglegging. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof en verwijst de zaak terug ter verdere behandeling, waarbij het GEA te Sint Maarten als bevoegd wordt aangemerkt voor de op 15 juni 2001 gelegde beslagen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor verdere behandeling waarbij GEA Sint Maarten bevoegd wordt verklaard voor beslagen van juni 2001.