ECLI:NL:PHR:2004:AI0416
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering van gerichte lijfrenteverplichtingen in fiscale balans volgens goed koopmansgebruik
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem over de waardering van een gerichte lijfrenteverplichting in de vennootschapsbelastingbalans van belanghebbende per 31 december 1996.
Belanghebbende had een stamrechtverplichting die zij tot en met 1995 waardeerde tegen een rente van 7%. Voor 1996 wenste zij deze verplichting te waarderen tegen de toen geldende marktrente van circa 5%, wat leidde tot een hogere boekwaarde. De Inspecteur accepteerde deze waarderingswijziging niet en corrigeerde het belastbare bedrag.
De kern van het geschil was of de waardering van langlopende schulden, zoals gerichte lijfrenteverplichtingen, mag worden aangepast aan de marktrente op de balansdatum. De Hoge Raad overwoog dat goed koopmansgebruik vereist dat dergelijke schulden worden gewaardeerd tegen de marktrente ten tijde van het aangaan van de verplichting, met aanpassing bij rentewijzigingen, maar niet lager dan de oorspronkelijke waardering.
Hoewel de waarderingswijze van belanghebbende niet geheel in overeenstemming was met goed koopmansgebruik, oordeelde de Hoge Raad dat eerdere rechtspraak verwachtingen had gewekt die een overgangsmaatregel rechtvaardigen. Daarom werd het beroep van de Staatssecretaris ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de waardering van de gerichte lijfrenteverplichting tegen de marktrente op de balansdatum bevestigd.