ECLI:NL:PHR:2003:AL7063
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over onmogelijkheid tot nakoming en toepassing dwangsom bij jaarrekeningen
In deze zaak stond centraal de vraag of de eiseres, rechtsopvolgster van een BV, terecht werd veroordeeld tot het betalen van dwangsommen wegens het niet tijdig verstrekken van jaarrekeningen van deelnemingen. De eiseres had onvoldoende inspanningen verricht om nakoming af te dwingen, zoals persoonlijk contact op Curaçao en juridische maatregelen daar. Het hof oordeelde dat het onredelijk was om meer inspanning te verlangen dan verricht.
De Hoge Raad bevestigde dat onmogelijkheid in de zin van art. 611d Rv alleen kan worden aangenomen als de dwangsom zijn werking verliest doordat het onredelijk is meer inspanning te verlangen. Daarbij is van belang dat ook prestaties die medewerking van derden vereisen niet uitgesloten zijn van dwangsomveroordeling. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de eiseres omdat het hof voldoende gemotiveerd had dat meer inspanning mogelijk was.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat een beroep op onmogelijkheid ook kan steunen op feiten die ten tijde van de veroordeling al bestonden maar niet in aanmerking waren genomen, dus nieuwe feiten kunnen ook worden aangevoerd. Het incidentele cassatieberoep werd daarom eveneens verworpen. De uitspraak bevestigt de ruime beoordelingsvrijheid van de rechter bij toepassing van art. 611d Rv en de motiveringseisen bij kort geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de eiseres en het incidentele cassatieberoep van Trans-Atlantic werden verworpen, waardoor de dwangsomveroordeling in stand bleef.