ECLI:NL:PHR:2003:AK8324
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid overgangsrecht opvangvoorzieningen asielzoekers na wijziging Rva 1997
In deze zaak staat centraal de uitleg van de overgangsrechtelijke bepalingen bij de wijziging van artikel 8 van Pro de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva 1997) per 1 januari 2000. De eiser, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), vorderde ontruiming van een asielzoeker die sinds 1997 in Nederland verbleef en wiens verblijfsvergunning was ingetrokken.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) had de asielaanvraag van de verweerder afgewezen en zijn voorwaardelijke vergunning tot verblijf ingetrokken. De verweerder maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, die werd afgewezen. Het COA sommeer de verweerder het AZC te verlaten, maar deze weigerde.
De rechtbank wees de vordering van het COA toe, stellende dat het nieuwe Stappenplan 2000 en het aangescherpte terugkeerbeleid van toepassing waren. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat het oude stappenplan, gebaseerd op het meewerkcriterium, van toepassing bleef omdat de beslissingen op de asielaanvraag en bezwaar vóór 1 januari 2000 waren genomen en de verblijfsvergunning vóór die datum was ingetrokken.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. De overgangsregeling in art. II van het Besluit van 6 december 1999 is negatief geformuleerd en bepaalt dat het nieuwe beleid alleen geldt voor vreemdelingen die na 1 januari 2000 aan geen van de criteria voldeden. De latere positieve formulering van het stappenplan 2000 wijzigt deze regeling niet. Hierdoor blijft het oude stappenplan van toepassing op de verweerder, en faalt het cassatieberoep van het COA.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het COA wordt verworpen; het gewijzigde art. 8 Rva 1997 en het Stappenplan 2000 zijn niet van toepassing op de verweerder.