ECLI:NL:PHR:2003:AI0283
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor schade door losgelaten hond van dierenambulance afgewezen
Op 6 april 1995 vond een verkeersongeval plaats waarbij een motorrijder en een hond betrokken waren. De hond, waarvan geen eigenaar bekend was, was door een medewerker van de Dierenambulance losgelaten nabij de vindplaats. De motorrijder raakte gewond en zijn motor was total loss. De motorrijder vorderde schadevergoeding van de dierenambulance en haar bestuurder op grond van onrechtmatige daad en aansprakelijkheid uit het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank wees de vordering af omdat de dierenambulance geen bedrijf was en de medewerker vrijwilliger was, waardoor artikel 6:170 en Pro 6:171 BW niet van toepassing waren. Ook was niet vastgesteld dat de dierenambulance of haar medewerker onrechtmatig had gehandeld. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de hond er verzorgd uitzag, in goede conditie verkeerde en regelmatig losliep op die plek, zodat geen bijzonder gevaar was te duchten.
De Hoge Raad overwoog dat de aansprakelijkheid van de dierenambulance en haar medewerker niet kon worden aangenomen omdat geen sprake was van onrechtmatig handelen of een voorzienbaar gevaar. De stellingen over een algemene gevaarzetting door loslopende honden en de toepasselijkheid van de APV faalden, evenals het beroep op artikel 5:5 BW Pro. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de dierenambulance en haar medewerker niet aansprakelijk zijn voor de schade veroorzaakt door de losgelaten hond.