ECLI:NL:PHR:2003:AF9473
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ondanks vrijspraak ten laste gelegde feiten
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is toegewezen aan de Staat. De veroordeelde was vrijgesproken van verduistering en diefstal, maar het hof achtte hem wel schuldig aan het zich wederrechtelijk meester maken van een bedrag door middel van listige kunstgrepen, soortgelijk aan bewezen verklaarde feiten zoals diefstal en oplichting.
De Hoge Raad bevestigt dat de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel geen straf is, maar een bijzondere maatregel die ook kan worden opgelegd indien de verdachte voor de onderliggende feiten is vrijgesproken, mits er voldoende aanwijzingen zijn dat soortgelijke feiten zijn gepleegd. Dit is niet in strijd met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM Pro.
Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op basis van administratieve gegevens, verklaringen en het bewijs van valsheid in geschrift bij het verzilveren van obligatiecoupons. Het verweer dat de obligaties rechtmatig waren verkregen werd verworpen wegens het ontbreken van een geloofwaardige verklaring en het bewijs van diefstal van obligaties.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en bevestigde het oordeel van het hof dat het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van soortgelijke feiten mogelijk is, ook als de verdachte voor die feiten is vrijgesproken. De ontnemingsmaatregel werd gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel ondanks vrijspraak en handhaaft de verplichting tot betaling van €472.170 aan de Staat.