ECLI:NL:PHR:2003:AF8051
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid Wet arbeid vreemdelingen ondanks Rijnvaartverdragen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), waarbij een persoon met Slowaakse nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtte aan boord van een binnenvaartschip op de Rijn.
De verdediging voerde aan dat de Wav een beletsel vormt voor de vrije vaart op de Rijn zoals gewaarborgd in de Herziene Rijnvaartakte en het Verdrag van Versailles, en dat daarom de Wav onverbindend is in deze context. Tevens werd aangevoerd dat het verbod op het vereisen van een tewerkstellingsvergunning niet van toepassing zou zijn op bemanningsleden van Rijnschepen.
De Hoge Raad overwoog dat bepalingen die de vrije vaart op de Rijn beperken slechts zijn toegestaan indien zij in de Rijnvaartakte zijn voorzien of in het belang zijn van de algemene veiligheid. Hoewel de vrije vaart ook de voorbereiding en uitvoering van het varen omvat, vormt de eis van een tewerkstellingsvergunning geen onrechtmatige belemmering van die vrije vaart. De Wav behoort tot de sociale wetgeving en is niet in strijd met de verdragen.
Verder stelde de Hoge Raad dat de bepalingen uit het Verdrag van Versailles door latere protocollen aan betekenis hebben ingeboet en dat de Wav niet onverbindend verklaard kan worden op grond van verdragsbepalingen. Het beroep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Wet arbeid vreemdelingen niet in strijd is met de Rijnvaartverdragen en verwerpt het cassatieberoep.