ECLI:NL:PHR:2003:AF6437
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor bezit van kinderpornografische videobanden met seksuele gedragingen van minderjarigen
De zaak betreft een verdachte die tussen 24 april 1997 en 24 april 1999 in zijn woning meerdere videobanden in voorraad had met afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij personen onder de zestien jaar betrokken waren. Het hof heeft deze banden ter terechtzitting bekeken en vastgesteld dat deze kinderpornografische beelden bevatten, waaronder een volwassen man die een minderjarig meisje penetreert en twee jongens die elkaar betasten.
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en onbetaalde arbeid. In cassatie werd aangevoerd dat het bewijs onvoldoende was om opzet aan te tonen en dat de inhoud van de videobanden niet voldoende was gemotiveerd als seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b Sr.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht eigen waarneming heeft gebruikt om de inhoud van de videobanden vast te stellen en dat het oordeel over opzet en de kwalificatie van de beelden als seksuele gedragingen begrijpelijk en niet onjuist was. De middelen van cassatie werden verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor bezit van kinderpornografische videobanden met seksuele gedragingen van minderjarigen.